Readshop Eelde

De oogappel Boudens, Luc

  • Aanbieding
  • Normale prijs €18,50
Inclusief btw.


Schrijver Fitou zit op een doodlopend spoor. Volgens hem werd alles al eens gezegd en dus heeft hij besloten zelf niks meer te vertellen. Hij wil alleen nog een liefdesbrief schrijven. Zijn uitverkorene wendt zich echter af van Fitou en diens obsessie met alcohol, trekt de wijde wereld in en geeft niet langer thuis. Fitou sombert verder en komt uiteindelijk terecht in het excentrieke universum van de erudiete en onthechte kattenliefhebber Leduc.

Samen gaan deze zielsverwanten op verkenning in een gekarteld tijdperk. Luc Boudens (1960) schrijft verhalen (De tiende provincie, Vrijdag visdag), romans (Het zijn lange dagen, Het lijden van De Jonge Werner) en poëzie (Vrienden voor het leven, Betere tijden lachen ons toe). Zijn langverwachte, verrassende derde roman Op eenzame hoogte verscheen in 2014.

 

 

De eerste zin

“‘Een gat is een gat,’ zei Tomtom en uit zijn zelfgenoegzame houding leidden we af dat hij vannacht niet meteen begaan was geweest met de staat van ons aller ozonlaag.”

Recensie

Fitou is een dertigjarige schrijver die ‘ziekenfondsliteratuur’ liever aan anderen overlaat en smacht naar ‘teksten met kloten’. Alleen vloeien de getestikuleerde zinnen de laatste tijd steeds moeizamer uit zijn pen. Zijn geliefde heeft hem de wacht aangezegd, waarna hij zijn verdriet is beginnen verdrinken in sloten wijn en whiskey en hij alleen nog maar artisjokharten eet. Niet meteen het beste recept om er weer bovenop te komen, vindt zijn vriend Leduc bij wie Fitou is ingetrokken, waarna hij zichzelf een limonadeglas sterke drank inschenkt en bedenkt dat uiteindelijk toch niemand echt gered wil worden, wat zijn vier adellijke katten beamen.

Leduc is de kleinzoon van een bekende schilder in wiens riante, maar stilaan toch wat aftakelende herenwoning hij zijn dagen slijt met literaire en andere kunstzinnige bezigheden. Werken doen Leduc en Fitou niet en waar ze het geld vandaan halen om hun uitspattingen in peperdure restaurants te betalen speelt geen rol. Zij leven immers in een wereld die verheven is boven het gesjacher waarmee het grootste deel van de mensheid zichzelf denigreert.

Aangezien De oogappel opgedragen is aan de in 2017 gestorven Henri-Floris Jespers en Boudens een van zijn beste vrienden was, is het nogal snel duidelijk op wie Leduc en Fitou gebaseerd zijn. “Die artiesten zullen het wellicht nooit leren,” denkt Leduc op een bepaald moment in het boek, “altijd weer die eigenliefde,” maar het is wel die eigenliefde die het leven en de literatuur net dat tikkeltje interessanter maken.

Wie al eerder een boek las van Luc Boudens zal de sfeer meteen herkennen, en ook de humor, want terwijl hij zijn personages in De oogappel op een wolk van artistieke onthechting boven de besognes van het gepeupel laat drijven, doorprikt hij tezelfdertijd ook deze aspiraties als passé en illusoir. Wanneer Leduc en Fitou naar Parijs reizen bezoeken ze er vanzelfsprekend het graf van Oscar Wilde, maar door hen precies naar dat graf te laten gaan, de beroemdste aller woorddandy’s, ondergraaft Boudens ook hun verfijnde eruditie. Fitou’s larmoyante liefdesverhaal zou eentonig worden zonder een flinke portie relativerende humor, beseft hij, en dus trekt hij het kleed van de meester-ironicus aan. Het past hem perfect.

Drie vragen aan Luc Boudens

Mogen we in Leduc en Fitou de schrijvers Henri-Floris Jespers en Luc Boudens zien?

Boudens: “Ik ontmoette Henri in de jaren tachtig. We waren twee handen op een buik en trokken vaak samen op, waarbij ik Fitou was, genoemd naar de wijn, en hij Leduc, mijn zogezegde chauffeur. Tijdens een mindere periode in mijn leven ben ik gaan inwonen bij Henri, in het huis waar zijn grootvader, de schilder Floris Jespers lang had gewerkt en gewoond. Het was een fantastische tijd. Alles wat we deden was doordrongen van literatuur en beeldende kunst. We beleefden avonturen in Knokke en Parijs, precies zoals ik ze in het boek beschrijf. Ik vind inspiratie iets raars en schrijf alleen over mijn eigen leven. Geen verhaaltjes dus, maar wel hét verhaal, want dat van Jantje en Mieke vind ik niet relevant. Het nadeel is dat je moet wachten tot er iets gebeurt, maar in de tijd met Henri gebeurde er om de haverklap wel iets.”

Is je boek een ode aan Henri-Floris Jespers, en aan een levensstijl vol onthechting en je m’en foutisme?

Boudens: “En een afscheid van de geliefde waar Fitou een brief naar schrijft. Ik hoop dat de roman een elegant adieu is, want zo ben ik. Ik sluit dingen graag op een elegante manier af, beschaafd dus, en niet met slaande deuren en een hoop flauwekul. Le bonheur d’être triste. Dat heb ik van actrice Dora van der Groen geleerd. ‘Laat het los,’ zei ze wanneer ik weer eens met iets worstelde, ‘probeer het elegant af te sluiten.’ De melancholie is mijn wapen tegen de oppervlakkigheid, de verveling en het infantilisme van de moderne wereld. In Parijs heeft Leduc het over mei ’68. Dandy Fitou steekt zijn vuist de hoogte in en oreert over wat revolutie voeren werkelijk is, waarbij de mouw van zijn jasje wat naar beneden glijdt en je zijn prachtige manchetknopen te zien krijgt. Dat gebaar is verloren gegaan.”

En nu, wat volgt er na deze ode aan je gestorven compagnon de route?

Boudens: “Ik heb nog heel veel te doen. In gedachten zit ik nog maar aan het aperitief van mijn carrière. Het is een beetje uitgelopen, zou je kunnen zeggen, zoals dat ook bij Fitou gebeurt wanneer hij in Parijs in bad zit en een aperitief neemt, en een tweede, en een derde. Zo nam ik er duizenden.”

Eerder verschenen op Knack

Recensie door: Jan Stoel
4/5

Een monument voor een vriendschap

Dichter/kunstenaar Luc Boudens (1960) maakte in 1988 zijn entree in de letteren. Hij bracht meteen twee verhalenbundels uit. In 1989 verscheen zijn eerste roman Het zijn lange dagen, vergezeld van de allereerste (!) literaire videoclip.

[Recensie]

Ontroering kenmerkt De oogappel, de onlangs verschenen vierde roman van Boudens. De auteur slaagt erin om wat zijn protagonisten in deze roman ten diepste beweegt in taal weer te geven. Zoals een musicus met klanken schildert, een beeldend kunstenaar met kleuren, penseelt Boudens trefzeker met woorden. Als kunst je raakt, ontdek je er steeds iets nieuws in. Die gelaagdheid vind je ook in De oogappel. Kijk verder dan de oppervlakte en ontdek de diepte.

Luc Boundens heeft een roman over een diepe vriendschap geschreven. Aan de oppervlakte gaat het over de relatie tussen de oudere schrijver en spil in de literaire wereld Leduc, en de dertigjarige schrijver Fitou, die bij Leduc is ingetrokken. Leduc is als een blok gevallen voor de “brutale eloquentie van die elegante jongeman met tomeloos talent voor de letteren.” Leduc constateert dat Fitou “niet, zoals een onoverzichtelijke hoop anderen, aan ziekenfondsliteratuur wilde doen, maar ‘teksten met kloten’ wou schrijven en zich aan het verdrinken was.” Het gaat niet goed met Fitou. Zijn relatie is beëindigd en dat leidt tot lusteloosheid, niets doen en een vlucht in de drank. Hij heeft de opdracht van Leduc om gedichten te vertalen, maar stelt dat eindeloos uit. Om van eigen werk nog maar niet te spreken. Hij lijkt zichzelf het graf in te drinken: de flessen whisky, wijn, pastis, port, maar ook pilletjes zijn niet aan te slepen. Hij is zich letterlijk aan het verdrinken. De naam Fitou is niet toevallig ook de naam van een wijn. Hij neemt zich voor een brief te schrijven aan zijn geliefde, “de heerlijke god die met lede ogen moest aanzien hoe ik van een aanlokkelijke en speelse partner al snel was verworden tot wat ik nu was: een uitgemergelde, bange schim, vervuld van angst voor zichzelf en alles daarrond.” Fragmenten uit die brieven doorspekken in cursief de hele roman, en de gehele brief vormt het laatste hoofdstuk.

De roman is opgebouwd uit allerlei korte, soms hallucinante hoofdstukken en niet chronologisch geordend. Het zijn als het ware scenes uit wat er zich in het leven van Leduc en de almaar artisjokkenharten etende Fitou afspeelt. Etentjes, onnoemelijk veel cafébezoeken, uitstapjes in een barrel van een Alfa Romeo naar Knokke en Parijs met bezoekjes aan galeries en kunstenaars, een bezoek aan het graf van Oscar Wilde (want enig dandyisme is de heren niet vreemd). Leduc, die in een groot pand omringd wordt door boeken wil op een gegeven moment van zijn literatuur af en begint een antiquariaat. Elk hoofdstuk begint met een korte, vaak komisch aandoende samenvatting: “Leduc neemt een douche, legt uit waar precies in huis hij slaapt en doet vervolgens welgekleed de boodschapjes.” Je kunt de roman dus lezen als een tragisch liefdesverhaal, een verhaal vol zelfdestructie. Homoseksualiteit is een terugkerend motief in het verhaal.

De compositie is hechter dan je in eerste instantie denkt. Subtiliteit is daarbij van belang. Als in het café het klagerige Candy van Iggy Pop en Kate Pierson klinkt, denkt Fitou aan zijn verre geliefde en huilt hij van binnen. Pak de tekst van het nummer er eens bij en je ziet hoe precies het past bij wat Fitou voelt.

De oogappel wordt interessanter als je een diepere laag aanboort. Dan wordt het een sleutelroman. De roman is opgedragen “in bijzonder dierbare herinnering aan Henri-Floris Jespers.” Dat was een goede vriend van Luc Boudens. Leduc is Jespers en Fitou Boudens. Jespers (1944-2017) was kleinzoon van schilder Floris Jespers. Hij wordt gezien als expert van de literatuurgeschiedenis van het interbellum, was redacteur van literaire tijdschriften als het Nieuw Vlaams Tijdschrift en De Tafelronde, uitgever en voorzitter van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen. Hij woonde in de woning en het atelier van zijn grootvader aan de Marialei 40 in Antwerpen. Daar bevond zich ook zijn archief. Kortom een spil in de Vlaamse literatuurwereld. Veel van deze elementen komen in het verhaalterug. Jespers was ook een man die van het leven genoot en de kunstenaarscafés frequenteerde, altijd op zoek naar beargumenteerde discussie aan de bar. Tijdens een mindere periode in zijn leven trok Boudens bij Jespers in. Wat zich tijdens hun vriendschap afspeelde zal ongetwijfeld gefictionaliseerd in de roman terugkomen, of niet? Personages en gebeurtenissen krijgen zo een andere lading. In veel cafébezoeken komen acteurs/studenten voor (de stamkroeg van de theaterschool Herman Teirlinck). Fitou moet voor beeldhouwer Fried poseren als Paul van Ostaijen. Fried heeft het bekende beeld van Elsschot gemaakt. Fried is dus Wilfried Pas. Van Ostaijen was een bekende van de opa van Henri-Floris Jespers.

De roman ademt de hang naar vroeger, doet dit verleden herleven, maar is ook een monument voor de vriendschap en, niet te vergeten, voor de liefde. Dat is het derde, universele niveau waarop je de roman kunt lezen.

En dan zijn er nog de katten in het verhaal. Ze zijn er steeds, meestal onopvallend en dragen namen als Madame Vienna, Casper, Bolle en Amon. Ze zijn kieskeurig. Op de cover staat Le chat noir van de Belgische avant-garde kunstenaar Marcel-Louis Baugniet. Een kat die overpeinst, afstand houdt, een soort wachter is.

“Op hoge poten keerde ze om. Altijd weer bewonderenswaardig: de majestueuze onverschilligheid van haar natuur. Als wilde ze mij toch even meegeven: nu sta je er helemaal alleen voor.”

Het verhaal lijkt van de hak op de tak te springen en dat heeft ongetwijfeld te maken met de ‘benevelde’ gemoedstoestand van Fitou. Boudens schrijft met een lichtheid, tragisch-komisch, soms wat archaïsch en komt met de meest sprankelende metaforen en beeldspraken. De liefhebbers van een uiterst verzorgde stijl, komen ruimschoots aan hun trekken. Als Boudens het bijvoorbeeld over uitpuilende laden van een kast schrijft:

“Mijn oog viel op de lange kast vol rotzooi en andere bijzonderheden waaruit propvolle laden als moegebabbelde tongen naar buiten hingen.”

Of

“het viel me op dat vandaag blijkbaar iedereen was voorzien van een tattoo. Het was uitkijken naar het eerste voorhoofd met daarop Nutella in gotisch schrift. Alsof de aangeboren lelijkheid van de mensen niet al volstond. Tattoos zijn er nu eenmaal in de eerste plaats voor runderen.”

De oogappel is een waardig afscheid geworden van Jespers en geeft goed weer wat Boudens en Jespers voor elkaar betekenden. Fictie is dan een prachtig voertuig om zo’n verhaal in te verpakken.—Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles